[00:00] De Vlaamse maakindustrie op een kruispunt
Björn Crul: Dag luisteraars, de Vlaamse maakindustrie staat op een kruispunt. De productiviteitsgroei stagneert. De geopolitieke context wordt grilliger en technologie evolueert razendsnel, vaak sneller zelfs dan veel bedrijven aankunnen. En toch zijn het net die bedrijven die nu kunnen versnellen, die investeren in slimmere machines, betere processen en verdiepende samenwerkingen, die een concurrentieel voordeel kunnen halen en zich kunnen versterken. Investeringen op de lange termijn, de integratie van technologie in nieuwe processen en de concrete vertaalslag van innovatief onderzoek naar de werkvloer. In het eerste deel bekijken we het ruimere plaatje. Hoe staat de Vlaamse maakindustrie er vandaag voor? Wat zijn de blinde vlekken en waarom is innoveren in productieprocessen minstens even belangrijk als investeren in nieuwe producten? Mijn naam is Björn Crul. Mijn gasten vandaag zijn Grisja Lobbestael, de CEO van Flanders Make, en Joris Ceyssens, director van VINTIV, een machinebouwer met bijna 40 jaar ervaring in hoogtechnologische maatoplossingen.
[01:09] De stand van de Vlaamse maakindustrie
Björn Crul: Heren, jullie kennen de industrie door en door natuurlijk. Jullie hebben een goed zicht op hoe maakbedrijven er vandaag voor staan. Grisja Lobbestael, laat ik met u beginnen. Met welke bedrijven heeft Flanders Make eigenlijk vooral contact en wat hoort u bij die bedrijven? Hoe staat onze maakindustrie ervoor vandaag?
Grisja Lobbestael: Wij hebben zo twee instromen. Aan de ene kant hebben wij wat we kunnen noemen de leading innovators, large enterprises met een langetermijnvisie en vooral op zoek naar disruptieve technologische innovaties en applicaties. En anderzijds eigenlijk een veel grotere groep van wat we noemen early innovators. Vaak zijn dat kmo’s op zoek naar snel inzetbare innovatie en een zeer duidelijke return. En dan nog een bijzonder belangrijke strategische groep is de groep van tech-integratoren die de brug gaan maken tussen Flanders Make en die implementatie bij de kmo’s. We zitten toch op een kantelmoment. We mogen er nog steeds trots op zijn: bedrijven met wereldklasse-expertise, een sterke, uitstekende exportpositie, maar allen staan eigenlijk onder enorme druk: stijgende kosten, internationale concurrentie, geopolitieke onzekerheid en een structureel tekort aan technisch talent.
[02:26] Bereidheid om te innoveren
Björn Crul: En blijft u dan optimistisch?
Grisja Lobbestael: Nog blijf ik optimistisch. In die zin dat de bereidheid om te innoveren groeit, omdat meer en meer bedrijven gaan inzien dat die toekomstige concurrentiekracht niet alleen zal komen van betere producten, maar vooral ook van slimmere productie, meer automatisering, datagedreven beslissingen en een hogere flexibiliteit. En laat dat nu de thema’s zijn waarop Flanders Make inzet.
[02:56] Onzekerheid op de werkvloer
Björn Crul: Joris, met VINTIV zitten jullie bijna dagelijks op de werkvloer bij productiebedrijven. Herken jij dat beeld wat we net horen van Grisja?
Joris Ceyssens: Dat er een groeiende onzekerheid en nogal een bezorgdheid is bij onze bedrijven. Enerzijds gestuurd door de geopolitieke veranderingen die er nu zijn. Anderzijds ook door de krapte op de arbeidsmarkt. Dus ik kan dat alleen maar bevestigen. En het is een terechte opmerking dat de sense of urgency wel aan het stijgen is. En dat veel bedrijven ook wel echt wakker schieten van de huidige stand van zaken.
[03:31] Drie krachten die elkaar versterken
Björn Crul: In grote mate hoor ik jullie eigenlijk allebei naar drie factoren verwijzen. Welke van die factoren weegt eigenlijk het zwaarst door vandaag, Grisja?
Grisja Lobbestael: Voor mij zijn het drie krachten die elkaar alle versterken. Dus heel belangrijk: de geopolitieke spanningen maken het steeds moeilijker om waardeketens, om businessmodellen van de bedrijven te voorspellen. Technologische evoluties, en met zekerheid rond AI, die versnellen sneller dan veel organisaties zelf nog kunnen volgen. Daarbij komt dat de bedrijven ook steeds minder gekwalificeerde medewerkers vinden. Dus de grootste is voor mij een beetje moeilijk te beantwoorden. Ze versterken elkander, alle drie. Maar misschien hetgeen wat het meest voelbaar is als uitdaging voor de bedrijven, is die arbeidskrachten, omdat ze op vandaag beperkt worden in hun groei. Maar laat nu net de technologie een deel zijn van de oplossing die errond kan geboden worden, om te gaan creëren met dezelfde mensen.
[04:44] Minder afhankelijk worden van externe factoren
Björn Crul: Joris, dat moet jou als muziek in de oren klinken.
Joris Ceyssens: Ik kan alleen maar bevestigen dat dat effectief zo is wat Grisja zegt. Ik wil er ook bij aansluiten dat er wel een bewustwording is gekomen door onder andere de spanningen die er nu zijn, dat een afhankelijkheid nooit een goede zaak is en dat meer en meer bedrijven merken dat ze afhankelijk zijn van factoren die ze niet onder controle hebben. En dat is de zoektocht ingezet naar hoe we als bedrijf meer en meer onafhankelijk kunnen worden van factoren die we niet onder controle hebben en de boel beter controleren. En ik denk dat technologie hier wordt aanschouwd als een disruptie. Dat klinkt heel spectaculair, maar volgens mij is dat wel een middel dat kan helpen om de twee anderen meer en meer onder controle te houden en om ervoor te zorgen dat onze bedrijven meer en meer onafhankelijk worden van die krachten die spelen.
[05:33] Schakelen wanneer het goed gaat
Björn Crul: Ik denk dat het duidelijk is dat heel wat bedrijven inderdaad dat besef nu hebben. Anderzijds hoor ik toch ook nog bedrijven waar er relatief weinig aan de hand is, die het goed doen en waar men zelfs denkt: ja, het gaat goed met ons. We zien eigenlijk geen probleem. Is dat een illusie, Grisja?
Grisja Lobbestael: Ja, dat is een gevaar. Het gaat goed met ons. We zien het probleem niet. Vaak plaats ik dat een beetje in het vertrouwen in het model van weleer. En dat is vaak ook nog steeds rendabel. Vaak maakt men uiteindelijk op het model van weleer nog steeds mooie cijfers. Maar de vraag is niet hoe het vandaag gaat. De vraag is waar je staat tussen hier en vijf of tien jaar. En dan heeft de geschiedenis ons geleerd dat die markten soms heel snel kunnen kantelen. Technologie, regelgeving, nieuwe concurrenten kunnen je bestaand model heel snel onder druk zetten. Dus bedrijven die wachten totdat de nood hoog is, starten vaak te laat. Dus men moet net schakelen wanneer het goed gaat. Men moet net schakelen op investeringen in technologie wanneer het goed gaat. Eigenlijk stabiele periodes om de productiviteit te verhogen, nieuwe technologie te testen en hun medewerkers mee te nemen in de verandering. Want eigenlijk, veerkracht bouw je op voordat je ze nodig hebt.
[06:50] Het dak herstellen terwijl de zon schijnt
Björn Crul: We moeten het dak herstellen terwijl de zon schijnt. Daar komt het op neer.
Joris Ceyssens: Ik denk dat dat een hele wijze raad is, Björn. Ik zou mij daarbij willen aansluiten, eerlijk gezegd. Natuurlijk zijn er bedrijven die in de huidige conjunctuur het goed doen. Er zijn vaak nichespelers die nu door een bepaald momentum goede zaken doen. Maar anderzijds zijn er natuurlijk ook bedrijven die gewoon jarenlang al geïnvesteerd hebben. En als je spreekt over: we moeten vooruitkijken dat we over vijf jaar nog rendabel zijn. Die nu rendabel is, wat heeft die vijf jaar geleden gedaan? Geïnvesteerd in een ERP-pakket, geïnvesteerd in automatisering en dergelijke. Denk bijvoorbeeld aan de Factories of the Future die er nu zijn. Dat zijn bedrijven die tien, vijf jaar geleden en zo verder geïnvesteerd hebben en daar nu ook de vruchten van plukken, maar ook blijvend actief blijven met die materie om die groei te bewerkstelligen naar de toekomst toe.
[07:45] Productinnovatie en productieprocessen
Björn Crul: Ja, dat zou de ambitie moeten zijn: dat we allemaal Factories of the Future creëren, die innoveren op heel veel verschillende niveaus, verschillende domeinen. Nu, Joris, jullie hebben vastgesteld dat veel bedrijven wel investeren in productontwikkeling, maar eigenlijk vergeten om hun productiemethode te updaten. Waarom is dat zo gevaarlijk?
Joris Ceyssens: Ja, daar schuilt ergens een gevaar in, omdat je op een gegeven moment je innovatieve product gaat produceren met bijvoorbeeld standaardmachines. Die standaardmachines worden geleverd door standaardleveranciers, bijvoorbeeld in de markt. En op zich is daar niks mis mee. Maar dat maakt gewoon dat je als productiebedrijf afhankelijk bent van die bedrijven. Dat maakt dus, als je op dezelfde manier produceert als bijvoorbeeld je grootste concurrent, dat je op vlak van productiemethode het niet gaat kunnen winnen. Dus dan ga je naar de kostenkant moeten kijken. En daar wringt natuurlijk hier lokaal wel het schoentje, gezien de uurlonen en dergelijke en de krapte op de arbeidsmarkt. Dus die afhankelijkheid komt natuurlijk nu terug naar boven. En door onafhankelijk te zijn en te zorgen dat je zelf baas bent over je eigen productieproces, kennis die je in je bedrijf hebt, dat je die borgt in een technologische vorm, zijnde een machine op maat.
[09:00] Product- en procesinnovatie combineren
Björn Crul: Wie futureproof wil worden, moet dus op beide sporen inzetten, zowel de product- als de procesinnovatie. Grisja, zien jullie soms nog bedrijven die zich daarop verkijken?
Grisja Lobbestael: Ja, in die zin is het verleidelijk voor bedrijven om te gaan focussen op productinnovatie, omdat dat direct zichtbaar is, dus uiteindelijk bij de klant een nieuw product.
Björn Crul: En ook direct in de omzet zich verkrijgen.
Grisja Lobbestael: Ja, direct in de omzet, maar dan komen we een innovatief product produceren met verouderde processen, dat zal ook niet lukken. Dus procesinnovatie heeft uiteindelijk rechtstreeks een impact op productiviteit, kwaliteit, doorlooptijd, flexibiliteit. En vandaar, de echte winnaars, die combineren die twee. Dus die ontwikkelen betere producten en die verbeteren continu de manier waarop ze die producten ontwerpen, produceren, onderhouden. Dus productinnovatie en procesinnovatie zijn geen alternatieven ten opzichte van elkaar.
Björn Crul: En kunnen we dan zover gaan als te stellen dat er effectief een verschil in wendbaarheid, in veerkracht is tussen bedrijven die op die beide sporen innoveren en zij die dat niet doen?
Grisja Lobbestael: Ja, dus dat zien we zonder twijfel eigenlijk. Bedrijven die op de twee assen uiteindelijk actief zijn, kunnen veel sneller reageren op veranderingen. Ze kunnen nieuwe producten sneller lanceren, ze kunnen efficiënter produceren, ze kunnen zich makkelijker aanpassen aan schommelingen in vraag of de beschikbaarheid van personeel. Denk aan de covidcrisis, waarop bedrijven heel snel uiteindelijk ook hun product, hun positie weer moesten gaan herdefiniëren, of snel gaan opschakelen of snel uiteindelijk gaan wenden. Dan zie je, wanneer men heeft geïnvesteerd in procesinnovatie en wendbaarheid van processen, dat men veel sneller kan reageren en op die manier uiteindelijk ook veel competitiever in de markt kan staan.
[10:55] Productie-innovatie als hefboom
Björn Crul: Joris, spoort dat met de ervaringen van VINTIV?
Joris Ceyssens: Ja, absoluut. Ik kan alleen maar aansluiten dat innovatieve producten uiteraard op heel korte termijn waarde creëren. Maar de vraagstelling zal zijn hoeveel je van die waarde nog overhoudt over vijf jaar. En dat is uiteindelijk waar die productie-innovatie naar boven komt. En die zorgt dat je eigenlijk een hefboom hebt, dat je over vijf jaar nog iets overhoudt van je productinnovatie. En ik denk dat dat een hele belangrijke is. En dat samen dan ook nog te borgen door die maatoplossing. Dat je die kennis ook in huis houdt. En daar dus ook vat op hebt om te reageren als er in de maatschappij iets gebeurt. En dat is eigenlijk die snelheid waar Grisja over spreekt.
[11:34] Innovatie als kostenpost of investering
Björn Crul: Als innovatie als een kostenpost wordt beschouwd, niet als een investering, en als er dan bezuinigd moet worden, komt ook innovatie onder druk te staan. Hoe kun je die perceptie openbreken? Joris, hoe toon je een ROI aan van een investering in een productieapparaat?
Joris Ceyssens: Ja, er zijn natuurlijk heel veel methodes om zoiets te gaan calculeren. Maar ik denk dat je moet trachten om die ROI van die investering niet uit te drukken in omzet, maar dat je het moet uitdrukken in een soort van productiviteit. En vooral moet je de vraag stellen: stel dat we dit nu niet doen. Wat gaat onze kost zijn over vijf jaar? En ik denk dat dat ook meegerekend moet worden in de berekening, als het ware. En dat je niet enkel alleen naar omzet moet kijken. Dus ik denk dat dat een hele belangrijke is. Ik kan ook alleen maar oproepen om te innoveren. Je kan heel snel heel grote stappen zetten. Maar vaak is het zo dat je met hele kleine incrementele verbeteringen ook een rendement kan halen. Dat is misschien niet altijd de grootste stap. Wel belangrijk dat je die stappen vooruitzet, omdat daar ook een leercurve achter zit. Pak dat je zegt: oké, we doen 60, 70 procent kleine incrementele aanpassingen in onze productie. We hebben x aantal procent nieuwe toepassingen en 10 procent disruptieve ideeën. Ja, dan ga je zien dat je een goede mix hebt. Het is bijna gelijk een aandelenportefeuille, waar je zowel risicovolle als minder risicovolle aandelen gaat nemen. Zo zou je het met innovatie eigenlijk ook kunnen bekijken.
[13:05] Toekomstige competitiviteit
Björn Crul: Grisja, ik zag jou knikken. Je gaat akkoord.
Grisja Lobbestael: Met het feit dat dat een steeds terugkerende contradictie is: wanneer het economisch wat minder gaat, dan gaat men heel hard focussen op kostcontrole, op cashflow en wordt uiteindelijk innovatie op de achtergrond geschoven. Weerom, zoals hij terecht zegt, omdat het uiteindelijk geïnterpreteerd wordt als een kostenpost. Het moet uiteindelijk verschuiven van een kostenpost naar een investering in toekomstige competitiviteit. Dus alles wat uiteindelijk Joris daarnet heeft aangegeven, kan ik alleen maar herhalen. Het is niet altijd een een-op-eenrelatie met de omzet, want dat is die korte termijn. Maar je moet de winst zien in hogere productiviteit, minder uitval, kortere doorlooptijden, beter met de energie uiteindelijk gaan omspringen, flexibiliteit en eigenlijk op die manier innovatie een andere positie geven. Wij binnen Flanders Make, hoe gaan wij om dan met het aantonen van een ROI van een innovatie? Want dat is al een uitdaging op zich. Dat proberen wij zo goed mogelijk te doen door vaak de academische modellen zo tastbaar mogelijk te maken. In proofs of concept, in wat wij dan noemen co-creatiehubs, waar we samen met de bedrijven, met tech-integratoren, met uiteindelijk zelfs, why not, start-ups die er brood in zien, uiteindelijk samen heel snel gaan samenwerken om een tastbaar resultaat te brengen. En dan ook nog een keer goed, bij manier van spreken, gaan demonstreren in het everyday life in de bedrijven zelf.
[14:41] Co-creatie en ecosystemen
Björn Crul: Het woord co-creatie is gevallen. Bedrijven hoeven niet altijd zelf het warm water uit te vinden als het over innovatie gaat. Consortia, soms zelfs met concurrenten of concullega’s, kunnen tot grote stappen voorwaarts leiden. Wat is voor jullie de grootste troef om in ecosystemen te gaan denken en het niet meer in je eentje te doen, Grisja?
Grisja Lobbestael: Ja, je zegt daarnet: niet meer in je eentje gaan doen. Dus uiteindelijk de overtuiging dat geen enkel bedrijf op zich alle kennis zelf kan gaan ontwikkelen en eigenlijk zelf gaan implementeren. In de realiteit, het samenwerken zien, het samenbrengen van de academische modellen, mensen die bezig zijn met nieuwe disruptieve technologie, dat eigenlijk direct gaan koppelen aan de bedrijven, aan heel het suppliersysteem dat eraan gekoppeld is, aan de tech-integratoren die het dan vaak uiteindelijk naar de vloer vertalen van een bedrijf. De birthplace van start-ups die op zich opnieuw markten zien, nieuwe opportuniteiten zien en die dan ook weer kunnen koppelen aan OEM’s. En dat is nu net eigenlijk een rol waar Flanders Make, naast het genereren van disruptieve technologieën, een belangrijke rol te spelen heeft. Om eigenlijk al die spelers, zijnde de bedrijven, technologieleveranciers, machinebouwers, universiteiten, onderzoeksinstellingen, eigenlijk samen te brengen rond gedeelde uitdagingen.
[16:17] Multidisciplinaire samenwerking
Björn Crul: Joris, jullie geloven ook heel erg in die ecosystemen.
Joris Ceyssens: Ja, absoluut. We maken ook al verschillende jaren deel uit van dergelijke ecosystemen. Van het nut. Ik denk als je kijkt naar snelheid en naar multidisciplinaire teams die samen met een bepaalde focus werken om een bepaalde businesscase te bewijzen. En ik bedoel daarmee enerzijds technologisch bewijzen dat het een bestaansrecht heeft, maar anderzijds ook zakelijk. De zakelijke realiteit mogen we niet uit het oog verliezen. En ik denk dat dat door middel van die ecosystemen alleen maar goed werkt.
[16:54] De rol van Flanders Make
Björn Crul: Grisja, als we naar die logica kijken en wat je net al vertelde over de maakindustrie. Wat maakt jullie dan anders dan een ander onderzoekscentrum of een consultancybureau?
Grisja Lobbestael: Er zijn een aantal troeven die heel specifiek gerelateerd zijn aan een strategisch onderzoekscentrum als Flanders Make. Dat is misschien toch een hele belangrijke concentratie van expertise. Wij hebben een unieke multidisciplinaire expertise en ook infrastructuur.
Björn Crul: Meer dan duizend koppen, las ik.
Grisja Lobbestael: Meer dan duizend koppen uiteindelijk over de vijf Vlaamse universiteiten. Die bundelen we eigenlijk samen om uiteindelijk industriële uitdagingen te beantwoorden. Dus die concentratie van expertise is een absolute factor van verschil, van uniciteit. Het co-creëren dus, uiteindelijk, wat je bedrijven in een vertrouwelijke omgeving laat samenwerken, kennis delen, om eigenlijk ook een stukje versnelling te krijgen van die innovatie over sectoren heen. Ten opzichte van een standaard consultancybedrijf is eigenlijk de opschaling. Dus een criticus zou kunnen zeggen: oké, stop. Bij manier van spreken, het geldt voor innovatie rechtstreeks in een bedrijf. Het wezenlijke verschil zal zijn dat de factor opschaling niet meer van toepassing is. Dus wij gaan die onderzoeksresultaten gaan omzetten in herbruikbare oplossingen, die dan breed inzetbaar zijn voor de industrie, meerdere sectoren. Dus met uiteindelijk integratoren kunnen wij die ontwikkelingen veel verder en veel groter opschalen naar een grote diversiteit in de industrie. Veel meer dan een standaard consultancybedrijf.
[18:48] Grote ondernemingen en kmo’s
Björn Crul: En dan kom ik even terug bij wat je aan het begin zei. Jullie hebben twee grote doelgroepen. Enerzijds grote bedrijven die bij jullie komen om net die disruptieve technologie te vinden. Maar anderzijds ook heel erg gericht op kmo’s, Flanders Make.
Grisja Lobbestael: Ja, en dat is een beetje het [onduidelijk] binnen Flanders Make. Dus aan de ene kant, ik herhaal, large enterprises, innovators, grotere budgetten, langetermijnvisies, die heel specifiek op zoek zijn naar, nogmaals, wat bestaat nog niet, disruptief in zijn technologie, maar ook in zijn toepassing. Maar de grootste fractie in ons landschap van industrie is eigenlijk de kmo-groep. En dan heb je die kmo-groep, noem het de early innovators, zij die eigenlijk al innovatie gaan omarmen, die uiteindelijk een heel belangrijk doelpubliek voor ons zijn. Die beschikken niet over een batterij aan ingenieurs met academische achtergrond. Vandaar ook die verwachtingspatronen die verschillend zijn. Een langetermijninvestering versus uiteindelijk snelle ROI en korte schakeltijden. En die willen wij gaan bereiken, absoluut wel. Daarom gaan wij ook uiteindelijk technologie toegankelijk maken. En daarvoor, en dat herhaal ik nu voor de zoveelste keer in dit gesprek, zijn die tech-integratoren, die tech-providers, uiteindelijk heel belangrijk voor ons. Tussen de modellen die wij maken en de directe implementatie bij die kmo’s, die nogmaals geen academische absorptie hebben zoals die grote ondernemingen.
[20:23] De meerwaarde van maatwerk
Björn Crul: Joris, ik hoor dat de rol van bedrijven zoals VINTIV heel belangrijk is. Als we nu eens kijken naar wat jullie specifiek doen, wat maakt een nieuwe machine of een retrofit van VINTIV dan anders dan een standaardoplossing om te innoveren in productieprocessen?
Joris Ceyssens: Het meest voor de hand liggende is natuurlijk dat een maatoplossing past gelijk een handschoen op maat van het bedrijf. Heel erg voor de hand liggend, als het ware. Maar wat eigenlijk de belangrijkste incentive is voor klanten om voor maatwerk te kiezen, in het geval van VINTIV toch, is dat ze ook eigenaar worden van de intellectuele eigendom die ontwikkeld wordt. En dat is natuurlijk een asset of een middel wat van onschatbare waarde is. Denk aan wat we eerder gezegd hebben over de zoektocht naar onafhankelijkheid van de markt. En ik denk dat dat de grootste toegevoegde waarde is die wij als bedrijf kunnen bieden.
[21:10] Samenwerking tussen VINTIV en Flanders Make
Björn Crul: Jullie werken al geruime tijd samen met Flanders Make. Hoe verloopt dat in de praktijk? Waar zit de meerwaarde voor VINTIV?
Joris Ceyssens: We werken inderdaad al sinds de oprichting van Flanders Make samen. Zelf als bedrijf bestaan we volgend jaar 40 jaar. We gaan al een tijdje mee in de maakindustrie. Het verankeren van die maakindustrie in Vlaanderen en bij uitbreiding België is een van onze missies. Het is evident dat we elkaar gingen tegenkomen. Dat is heel vroeg gebeurd in het ontstaan van Flanders Make. Hoe vertaalt die samenwerking zich? Die vertaalt zich op verschillende manieren. Daarvoor is bijvoorbeeld, ja, als je spreekt over innovatie en je weet op voorhand dat iets heel innovatief is, maar dat het gaat werken, dan kun je je de vraag stellen of die definitie van innovativiteit wel klopt. Want ja, het gaat toch al werken. En dan zie je toch dat als de echte innovativiteit in vraag gesteld wordt en er is onderzoek nodig, en dat is early stage bij het ontstaan van het idee, dat Flanders Make wel toegevoegde waarde biedt om daar allereerst te kijken of het lijkt te kloppen. Dan dient er natuurlijk ook een zakelijke realiteit te bestaan. En die samenwerking tussen beide bedrijven maakt eigenlijk dat zowel technische als zakelijke realiteit afgetoetst worden om dan de volgende stap te zetten naar implementatie.
[22:31] Ondersteuning in cutting-edge onderzoek
Björn Crul: Ik hoor dat VINTIV op zoek is naar ondersteuning in cutting-edge onderzoek. Grisja, ik hoorde jou al zeggen van: ja, wij hebben partijen als VINTIV nodig om kmo’s beter te kunnen bereiken. Kunnen we dat dus concreet maken? Voor een sector, Joris?
Joris Ceyssens: Ja, de vertrouwelijkheid maakt natuurlijk dat ik hier niet in detail kan treden over specifieke dossiers. Maar het is wel zo, heel concreet bijvoorbeeld, dat we een hele productieve samenwerking hebben met het Robotics Lab van KU Leuven en ACRO, waar ook Flanders Make echt nauw bij betrokken is, specifiek om één doelgroep in het Vlaamse landschap, de farmaceutische industrie, verder te ondersteunen. En dat is iets waar we effectief concrete stappen in aan het zetten zijn, aan het evolueren zijn.
[23:22] Van onderzoek naar industriële implementatie
Björn Crul: Grisja, waar zie jij het succes van die samenwerking?
Grisja Lobbestael: Nu los van de toepassing die er net geciteerd werd, maar opnieuw in de complementariteit van de twee profielen. Zodat Flanders Make gaat concentreren op nieuwe productieconcepten, digitaliseringstechnologieën, automatiseringsoplossingen. Daar neemt VINTIV opnieuw die fakkel over. Die fakkel om uiteindelijk dat dan binnen te brengen in een industriële implementatie, dan bij hen specifiek in de machinebouw. En dat is nu net zo belangrijk dat die innovaties niet in een labo blijven hangen. Het is geen kunst om de kunst aan de academische kant. Maar effectief hun weg vinden naar de productieomgeving. Want dat is de missie van Flanders Make: het genereren van disruptieve technologie om finaal gezien de industrie sterker, competitiever te maken, weerbaarder te maken. En finaal gezien ervoor te zorgen dat dit hier een welvarende regio blijft. En dus, dat is een complementariteit die wij absoluut nodig hebben in het realiseren van het model.
[24:29] Leren uit onderzoek dat niet werkt
Björn Crul: Joris, ik kan me voorstellen dat niet elk onderzoek dat jullie samen opstarten effectief tot een goed resultaat leidt. En wat dan?
Joris Ceyssens: Ja, een terechte opmerking. Je kunt natuurlijk de vraag stellen wat de definitie van succes is. Ik denk dat als je in een onderzoeksfase erachter komt dat een bepaalde innovatie niet werkt, dan zou je geneigd zijn om te zeggen dat dat dan een mislukking is. Maar dat is eigenlijk een succesvolle poging geweest om te beseffen dat het geen goede keuze is om dit te doen. En dan kan je kiezen om te leren en die leercurve eigenlijk ter harte te nemen en op zoek te gaan naar een andere oplossing. Dus op zich, een proof of concept die niet werkt of een innovatie die nog niet op punt blijkt te staan, denk ik niet dat het een probleem is. Nu, aanvullend op wat er juist gezegd werd, ik denk innovatie juist vanuit een technisch standpunt heeft volgens mij geen zin. Je gaat altijd moeten starten vanuit een operationeel probleem dat is gesteld. Een van de opties is [onduidelijk]. En ik sluit me aan bij Grisja dat hij zegt: kijk, het labo is één, maar ga proberen zoveel mogelijk een proof of concept te bouwen in werkelijke omstandigheden. Dat kan op een echte productielijn zijn met echte operatoren, maar doe het kleinschalig, maar niet in dat labo. Maar probeer het zo tastbaar en zo realistisch mogelijk te maken. En achteraf de resultaten objectief te meten om daar dan lessen uit te leren en te kijken naar de economische realiteit in een tweede fase en dan over te gaan tot implementatie.
[26:03] Verschillende tijdshorizonten
Björn Crul: Gericht zijn, hoor ik Joris zeggen. Geeft dat soms niet een spanningsveld met jullie onderzoekers die misschien wat meer gewoon zijn om toch op langere termijn te denken?
Grisja Lobbestael: Dat was een beetje de kritische noot, dan uiteindelijk ook zelfreflectie. Maar de grootste uitdaging zit hem vaak in die verschillende tijdshorizon. En daarmee bedoel ik dus dat onderzoekers die technologie robuust, wetenschappelijk onderbouwd willen ontwikkelen, vaak op een meerjarentermijn zitten. Industriële kmo’s willen heel snel resultaat zien. En de kunst is eigenlijk, en de opdracht is, om die beide werelden met elkaar te gaan verbinden.
[26:45] Om- en bijscholing van werknemers
Björn Crul: Een van de grootste uitdagingen als we het dan hebben over nieuwe machines, nieuwe processen, is dat zowat de helft van de werknemers in onze Vlaamse maakindustrie de komende jaren zal moeten worden omgeschoold of bijgeschoold. Net omwille van die integratie en implementatie van nieuwe technologieën. Ja, hoe pakken we dat aan, Grisja? Want dat is een grote uitdaging.
Grisja Lobbestael: Het ligt even op twee groepen. Dan hebben we het vaak uiteindelijk over de blue collars of de arbeiderspopulatie. Goed, ja, een omscholing zal noodzakelijk zijn. Wat niet noodzakelijk betekent dat dit negatief moet zijn. Die technologie gaat die mensen niet vervangen, gaat wel hun rol veranderen. Ze moeten ervoor zorgen dat mensen uiteindelijk meer kunnen samenwerken met digitale systemen, robots, AI. Om repetitief werk voor een flink stuk te gaan verminderen. Maar we hebben ook een andere doelgroep. Die wordt vaak niet vernoemd. We noemen het de white collars. Net gezegd, er zijn een aantal zaken die de bedrijven ook vandaag heel hard onder druk zetten. Waaronder de snelheid van technologie, de evolutie van die technologie. Dus dan mogen wij bij Flanders Make nog zo goed zijn in het ontwikkelen van nieuwe technologie, maar in die bedrijven zitten mensen. En dus naast die blue collars zitten ook white collars. En de realiteit is dat heel wat ingenieurs, van weleer zeg maar, ook disconnected zijn met de nieuwste stand van technologie. Daar hebben we een antwoord op ontwikkeld. Ziet binnenkort eigenlijk het daglicht en dat heet de Flanders Make Academy, waarin we proberen uiteindelijk een antwoord daarop te bieden op een direct toegankelijke manier. Zeg maar het profiel van novice tot expert om die op een gemakkelijke manier te kunnen laten inschakelen. En wat zijn die nieuwe technologieën? Wat moeten ze ervan weten en hoe kunnen ze dat straks ook absorberen in hun bedrijf?
[28:54] Operatoronafhankelijke machines
Björn Crul: Joris, nieuwe technologie, nieuwe machines staan of vallen met de mensen die ermee moeten werken. Hoe pakken jullie dat aan als je met VINTIV een nieuwe machine plaatst in een bedrijf?
Joris Ceyssens: Er is toch wel duidelijk een trend die gestuurd wordt door uiteraard de arbeidsmarkt en de krapte van geschoolde operatoren. Ik denk dat die trend duidelijk is. Een van de zaken die wij zien, is dat bedrijven die nog steeds beroep kunnen doen op ervaren mensen, de kennis van die operatoren gaan gebruiken als input in een ontwikkeltraject. En het doel is eigenlijk om zoveel mogelijk te streven naar operatoronafhankelijke machines, die dan eigenlijk ontwikkeld zijn geweest op basis van de kennis van de ervaren operatoren. En natuurlijk, als je dan denkt aan een fijnmechanische afstelling van een installatie, dat vroeger gedaan werd door een heel ervaren man die al 25, 30 jaar niks anders deed. Als je daar door middel van technologie, op basis van de input van de kennis van die operator, kunt komen tot een onafhankelijkheid, een operatoronafhankelijke machine, waarbij de technologie die fine-tuning overneemt, dan denk ik dat je aan de winnende kant bent. En dan kan je natuurlijk op die manier die lacune of dat gat gaan dichtrijden door middel van technologie.
[30:07] Advies aan ondernemers
Björn Crul: We moeten stilaan gaan afronden. Ik heb toch nog een laatste vraag voor jullie. Als jullie elk één boodschap mogen meegeven aan een ondernemer die misschien nog twijfelt om vandaag echt te gaan investeren in productinnovatie. Welke tip is dat dan, Joris?
Joris Ceyssens: Act now. Niet wachten. En dat moet daarom niet meteen een geweldige stap zijn. Dat kunnen hele kleine stapjes zijn. Start met kleine proofs of concept. Zorg ervoor dat je een beperkt klein kernteam samenstelt in een organisatie, die dedicated kunnen werken aan dergelijke stappen voorwaarts. En maak gebruik van het ecosysteem dat er is.
[30:43] Wachten is het grootste risico
Björn Crul: Grisja, wat is jouw boodschap?
Grisja Lobbestael: Het is mijn credo, zo zijnde. Wachten is vandaag het grootste risico. Dus nogmaals, niemand verwacht dat de bedrijven morgen volledig gaan transformeren. Maar elke stap richting meer productiviteit, digitalisering, automatisering, creëert een extra weerbaarheid voor de toekomst. En dan, als slotzin uiteindelijk: wij hebben als Vlaamse maakindustrie, en daar mogen we best trots op zijn, alle troeven om wereldwijd competitief te blijven. Wanneer we investeren, samenwerken en ook die moed hebben om te veranderen. En de bedrijven die daar vandaag mee starten, die zullen morgen de standaard zetten voor hun sector.
[31:34] Afronding
Björn Crul: Een mooie conclusie om bij af te ronden. Grisja en Joris, mag ik jullie danken voor dit gesprek.
Joris Ceyssens: Ja, dankjewel.
Grisja Lobbestael: Dankjewel.
Björn Crul: En luisteraars, ik onthou één boodschap. Innovatie in de maakindustrie is een van de belangrijkste factoren voor verankering en veerkracht. Bedankt dat u erbij was. Samenwerking met VINTIV. Graag tot een volgende keer dus.





