Shift to the fifth is de nieuwe baseline van de Indumation-beurs. Maar wat houdt dat nu concreet in? Werken er binnenkort alleen nog humanoïde robots in onze fabrieken? Kunnen we voortaan met een leger data-analisten een fabriek draaiende houden? En waar moet Europa zijn pijlen op richten om de concurrentiekracht te vrijwaren? Ons gewaardeerd panel, dat bestond uit Niki Claes (WAGO), Nico Declercq (Pilz), Jurgen De Wever (Siemens), Werner Fransen (Yitch), Aäron Leman (Beckhoff Automation), Elke Luxem (Schneider Electric), Jeroen Macharis (Multiprox), Koen Van Den Plas (ifm electronic), Marc Vissers (Lenze) en Alain Wayenberg (Agoria) boog zich erover tijdens Industrial Automations eerste rondetafelgesprek in november. In dit artikel vatten we de voornaamste
Laat ons beginnen met de definitie van Industrie 5.0. Zoals het tijdperk het betaamt, halen we die niet uit een stoffige encyclopedie (maken ze die eigenlijk nog?), maar vragen we het gewoon aan AI, Gemini in dit geval. Die stelt dat het een visie op de toekomst betreft die verdergaat dan de technologiefocus van Industrie 4.0 door de mens, duurzaamheid en veerkracht centraal te stellen. Wayenberg vertelt waarom die sprong nodig is. “Industrie 5.0 gaat ons precies tonen welke voordelen de industriële revolutie ons nu eigenlijk gebracht heeft. Waarom je net data nodig hebt en OT en IT moet samenbrengen om de volgende stappen te zetten.” Macharis bevestigt: “Data capteren en visualiseren is mooi, maar de meerwaarde komt pas als je er effectief een actie aan koppelt. Daar moeten we nu naartoe.” Volgens Declercq zijn we daar niet zo ver van. “Ik was op een lezing van trendwatcher Bruno Fabre. Hij deed verbazen hoe dicht we al bij bedrijven aan zitten die functioneren zonder dat er één mens aanwezig is.”

En wat is dan de kortste weg naar Industrie 5.0? “De snelste”, antwoordt Vissers met een knipoog. “Start vandaag en als je faalt, faal dan snel”, verduidelijkt hij. “Ik denk dat de boodschap aan bedrijven moet zijn dat automatiseren en digitaliseren een continu verhaal is. Dat werk is nooit af. Je moet altijd blijven investeren om slimmer te zijn dan je concurrenten.” Dat niet elk bedrijf daar al even ver in staat, is een understatement. “Daarom moet je ook niet vergelijken”, vindt De Wever. “Elk bedrijf is anders. Zorg voor een robuuste architectuur om van te vertrekken en een doel om naartoe te evolueren. Het kan haast niet anders. We hebben structureel te weinig mensen. Technologie is de uitkomst. Het automatiseren van de automatisering zal ervoor zorgen dat we met creativiteit en flexibiliteit het verschil kunnen blijven maken. Wie daar te traag in evolueert, zal overmorgen een competitief probleem hebben.”

Is dat dan een Europees probleem? Kunnen we überhaupt een vuist maken tegen die buffels uit het Westen en olifanten uit het Oosten? Dreigt onze maakindustrie hier vertrappeld te worden? Luxem denkt van niet. “We moeten vanuit Europa meer van onze eigen sterkte uitgaan. We hebben meer inwoners en dus ook meer consumenten dan Amerika. Daarnaast beschikken we over geavanceerde technologie en de kennis om deze te gebruiken. Dus laten we afstappen van het idee dat Europa een diensteneconomie moet worden. We hebben de industrie nodig om onze welvaart te verankeren. Dus laat die dienstensector gewoon rond onze industrie werken. En dan hoop ik dat het vooral een schone industrie is, een duurzame, een die inzet op elektrificatie en energie-efficiëntie.”

“Alle grote spelers in AI lijken misschien wel uit Amerika te komen, maar dat is slechts één klein hoekje van het continent”, pikt Fransen in. “Wie al in Amerika geweest is, weet dat de rest achterloopt op ons. Zelf zou ik meer schrik hebben van China. Vroeger kon je ze misschien bestempelen als copycats, vandaag niet meer. Er gebeurt daar veel innovatie. Maar ik denk dat we in Europa enorme troeven hebben. Op het vlak van technologie, op het vlak van kennis, op het vlak van opleidingen. En die moeten we meer uitspelen. En dan denk ik dat we nog heel veel kunnen realiseren.” Ook Claes ziet geen reden tot paniekvoetbal. “Wij Europeanen zijn wat meer risicoavers. We gooien niet met miljarden, zoals die grote AI-bedrijven, die overigens nog geen halve euro winst gemaakt hebben. Ja, zij hebben generative AI ontwikkeld, wat breed inzetbaar is, maar waar we lokaal sterker in zijn, dat is AI-toepassingen ontwikkelen voor net heel specifieke toepassingen, die wel meteen winstgevend zijn.”

Van Den Plas gelooft in samenwerking om het verschil te maken. “Ik denk dat we in Europa nog meer moeten samenwerken, zodat we beter zijn, zodat we onze concurrenten een stap voor blijven. Innoveren is de enige weg vooruit, subsidies zijn een doodlopende straat. Kijk maar naar de verloren gegane mijnindustrie.” Declercq beaamt: “Europa is nog te versnipperd. We moeten evolueren naar een echte vrije handelseconomie binnen haar grenzen. En we kunnen, zoals Bart De Wever voorstelde, het goede voorbeeld geven met de Benelux. Hier innoveren we al samen.”

Maar vinden we nog genoeg mensen om die innovaties te produceren of moeten we wachten op de doorbraak van humanoïde robots? Leman haalt er bemoedigende cijfers bij. “Op de UGent Campus Kortrijk is het aantal ingenieurs dat zich inschreef verdubbeld. Een positief teken. Ik denk dat het hele AI-verhaal mensen aanspreekt.” De Wever onderstreept het belang van inspireren. “Iedereen in het speelveld bekleedt daar een rol in. Als je ziet hoeveel mensen op openbedrijvendagen komen kijken naar grote infrastructuurwerken en de machines die daarvoor nodig zijn. Technologie komt ook steeds dichterbij. Als je met dezelfde gebruikservaring als van je bankapp het onderhoud van een machinepark verzorgt, dan zitten er kansen om jonge mensen te inspireren. Technologie is fun. Niet enkel in games, ook in een industriële context.”

Fransen haalt er een persoonlijke anekdote bij. “Vroeger heb ik met mijn vader Flanders Technology bezocht. Daar was toen een soort deltarobot die op basis van visietechnologie koekjes in plastic blisters verpakte. Daar is voor mij de vonk overgeslagen. Eigenlijk doen we zulke dingen vandaag veel te weinig. We moeten meer tonen wat technologie allemaal kan oplossen voor de maatschappij.” Voor Vissers kan dat niet vroeg genoeg gebeuren. “Organiseer ontdekkingsroutes om jongens en meisjes te laten proeven van aandrijftechniek, sensoriek, motion control … Maar doe het voordat ze naar de middelbare school gaan. Zorg dat ze die trigger meekrijgen vooraleer ze keuzes gaan maken.”

En wie kan er dan het beste inspireren? Macharis wijst naar sociale media. “In plaats van scrollend dansende mensen te kijken, volg ik op Instagram techfluencers. Dat kan voor jonge mensen echt wel werken.” Voor Leman moet het ook op de schoolbanken kunnen. “Iemand die het gedaan heeft, die over technische kennis beschikt. Maar ik denk dat geen enkele ingenieur van bijvoorbeeld BASF de switch zou maken naar de middelbare school. Waarom dan geen wisselwerking op poten zetten met wekelijks een gastcollege van een specialist uit de praktijk?” Claes waarschuwt echter dat ook deze oplossing niet zaligmakend is. “Bij mij op school waren er een aantal leerkrachten die waren ingestroomd uit de industrie. Maar die haakten af uit teleurstelling en zorgden net voor een negatieve perceptie. Je moet de juiste mensen stimuleren om voor de klas te staan.”

“Met een STEM-handboek proberen we daar verandering in te brengen. Op die manier willen we leraars de goesting aanreiken. Ook zij moeten overtuigd zijn van het belang van techniek.” Van Den Plas voegt eraan toe dat er nog een partij is in dit verhaal: de ouders. “Eigenlijk kan een technische richting zo boeiend zijn. Ik denk dat we hier aan tafel allemaal overtuigd zijn, maar de gemiddelde Belg misschien niet. Die ziet zijn zoon of dochter liever advocaat worden dan ingenieur.” Luxem snapt die manier van denken niet. “Omdat het veel tastbaarder is wat een ingenieur doet. Hij of zij maakt dingen. Een advocaat praat”, besluit ze met een brede glimlach.
