De nieuwe Industrial Accelerator Act, ook wel de ‘Made in Europe Act’ genoemd, voert bindende Europese inkoopvereisten in voor overheidsopdrachten en heeft tot doel het aandeel van de verwerkende industrie in het bbp van de Europese Unie tegen 2035 te verhogen tot 20%. Nog niet zo lang geleden zou dit project defensief, zelfs achterhaald hebben geklonken – het soort slogan dat beleidsmakers gebruikten als ze geen slimme ideeën meer hadden. Vandaag de dag speelt het in op de groeiende bezorgdheid over de opkomst van China, de Amerikaanse vijandigheid en de Europese angsten over het eigen concurrentievermogen.
‘Europese voorkeur’ leidt tot felle discussies. Frankrijk pleit voor meer ‘Made in Europe’. De Scandinavische landen en Duitsland pleiten voor minder en geven de voorkeur aan de uitdrukking ‘Made with Europe’. Handelspartners zijn bezorgd dat ze van de Europese markt zullen worden uitgesloten. De 27 verschillende EU-lidstaten hebben verschillende capaciteiten – kleine staten vrezen dat hun grotere buren het best geplaatst zijn om hiervan te profiteren, ten koste van hen. Deze verschillen zorgden voor talrijke vertragingen bij de lancering van het voorstel. In het definitieve ontwerp werden de radicaalste ideeën, die buitenlandse investeringen zouden hebben beperkt en strenge eisen inzake Europese voorkeur zouden hebben opgelegd, afgezwakt. Uiteindelijk vallen slechts een handvol sectoren onder het toepassingsgebied, waaronder de auto-industrie en groene technologieën die te maken hebben met gesubsidieerde Chinese concurrentie, zoals zonnepanelen, batterijen en windturbines.
Groene technologie ligt aan de basis van het ‘Made in Europe’-project. Het voorstel was oorspronkelijk bedoeld om de overgang naar een cleane industrie te versnellen. De oorspronkelijke titel was de ‘Industrial Decarbonization Accelerator Act’. Wat begon als een instrument om de groene transitie te versnellen, wordt nu gepresenteerd als een middel om de Europese industrie te redden. Het voorstel van de Commissie zelf maakt deze ambitie expliciet. Het beoogt de langdurige achteruitgang van het industriële gewicht van Europa te keren. De doelstelling van 20% voor de verwerkende industrie is opvallend, niet alleen vanwege de omvang ervan, maar ook omdat het een politieke terugkeer naar productie als doel op zich aangeeft.

Voorstanders zullen terecht aanvoeren dat dit de wereld weerspiegelt zoals die nu is, in plaats van de wereld die Europa zich ooit had voorgesteld. China heeft de controle over belangrijke productiesectoren overgenomen, waaronder die van elektrische auto’s en zonnepanelen. De VS domineren de digitale sector, waaronder cloud computing, en hebben pijnlijke invoerheffingen opgelegd aan Europese exportproducten. Productiecapaciteit is niet langer alleen een economische variabele. Het is ook een veiligheidsvariabele.
Maar de wet roept een veel moeilijker vraag op dan de voorstanders soms toegeven. Zodra overheidsopdrachten en subsidies lokale inhoud gaan bevoordelen, corrigeert Europa niet langer louter marktfalen. Het beslist welke afhankelijkheden onaanvaardbaar zijn, welke sectoren als strategisch gelden en hoeveel inefficiëntie het bereid is te accepteren in ruil voor veerkracht. Dat is een ingrijpende politieke keuze, die uitnodigt tot vergeldingsmaatregelen. China heeft zijn ernstige bezorgdheid geuit over het ‘Made in Europe’-voorstel, dat het protectionistisch noemt, en waarschuwt dat het handelsregels, eerlijke concurrentie en de stabiliteit van de toeleveringsketen zou kunnen ondermijnen. Ook de VS is gealarmeerd: zowel het ministerie van Buitenlandse Zaken als het ministerie van Defensie heeft elke stap afgewezen die “het vermogen van de Amerikaanse industrie zou beperken om nationale defensieaankopen van EU-lidstaten te ondersteunen of er anderszins aan deel te nemen”.
Interne Europese critici vrezen dat het initiatief het risico met zich meebrengt dat niet-concurrerende bedrijven worden beschermd zonder het industriële potentieel van het continent te ontsluiten. In plaats van ‘Made in Europe’-quota op te leggen, zeggen ze dat de EU zich moet richten op het verlagen van energiekosten, het verkorten van projecttijdlijnen, het verminderen van risico’s bij kapitaaluitgaven en het uitbreiden van de net- en logistieke capaciteit. De EU erkent dat ze een concurrentieprobleem heeft. Wat onzeker blijft, is of zij dit besef kan vertalen naar effectief beleid.
Naar een bijdrage van Maciej Bukowski voor CEPA